![]() |
Plaats van herkomst: Duitsland, Oostenrijk, Spanje, Canarische eilanden. Nadat in 1680 het streng bewaakte monopolie van Spaanse monniken op het fokken van kanaries doorbroken was, werd Lienz een centrum van de Europese kanarieteelt. Na het ter ziele gaan van de mijnbouw in Lienz, trokken veel mijnwerkers uit Lienz voor werk naar het Harzgebergte waar nieuwe ertsaders ontdekt waren en zij namen hun kanaries mee. Een paar mijnwerkers uit Fraxern uit de streek Vorarlberg streken neer in Andreasberg in de Harz en kweekten uit hun kanaries een superieure zangvogel, de beroemde Harzkanarie. |
Bij de wereldkampioenschappen voor zangvogels in Riebelshausen in het Ruhrgebied won in augustus 2002 de vogel Klausi met 90 punten de eerste plaats. Klausi hoort tot het genre der edelzangers en werkte de verschillende soorten zangdisciplines zoals hoogfluiten, knorren, de waterslag en het maken van loopjes af met net zoveel bravour als het klokken en fluiten. De beltonen, die steeds meer in de mode komen, werden niet beoordeeld omdat deze door veel fokverenigingen nog niet erkend worden. Vooral met het klokken van zijn Ü-O en GLK-BLK was Klausi bijzonder overtuigend, maar meer dan het hoogste cijfer kon men hem dan ook niet geven. Er was een vogel die de consonanten W-G-D-L-H –R en B nog bijna beter kon doen dan Klausi maar die viel in alle andere disciplines af. Deze nieuwgekozen wereldkampioen hoorde net als alle andere vogels die aan de wereldkampioenschappen meededen tot de ongeveer honderdvijfenvijftigste generatie van in gevangenschap gehouden kanaries.
Toen Isabella van Castilië op 19 oktober 1469 na een gezamenlijk overwinning op de Moren in huwde met Ferdinand van Aragon en haar rijk samenvoegde met dat van haar echtgenoot, bleef zij desondanks heerseres over Castilië en nam zij het voortouw bij de verdrijving van de Moren van het Iberisch schiereiland. Intussen liet haar man, die de bijnaam de Katholieke had, meer door toeval en eigenlijk onbedoeld, Christopher Columbus Amerika ontdekken. Ze ontvingen als een van de huwelijksgeschenken kleine vogels die wonderschoon kwinkeleerden, er schattig uitzagen en erg in de smaak vielen bij de dames aan het hof, die er allemaal volstrekt verliefd op werden.
De vogels werden naar hun plaats van herkomst kanarievogel genoemd, maar ook wel suikervogel, en in het Latijn was hun naam Serinus Canarius. De eerste vogels kwamen met een oorlogsschip van de eilandengroep, waar sinds 1402 zwaar om gevochten werd. Pas in 1496 werd het laatste eiland, Tenerife, definitief door Spanje ingenomen en de cultuur van de Guanchen zo grondig vernietigd, dat er heden weinig te zien is dat de verwoestingen heeft weerstaan.
In hun habitat op de Canarische eilanden leven de vogels in vrijheid tot op 1500 meter hoogte in schaduwrijke hoge bossen. Ze zijn 12 tot 13 cm groot en hebben een lange staart van 6 centimeter en vleugels van 7 cm lang. Door de afgelegen locatie van de eilanden ontwikkelden ze zich, net als de vinken op de Galapagoseilanden, tot een zelfstandige, bijzondere vogelsoort van de familie van de mussen, verwant aan de vinken en de ondersoort de goudvinken.
Het bezit van een dergelijke kanarievogel werd al snel mode aan de Europese hoven. Ze golden als waardevoller dan zilver en goud, en hun levendigheid symboliseerde de vergankelijkheid van rijkdom, de sterfelijkheid van het bezit. Veel mannen lieten hun echtgenotes met als enig sierraad een kanarie op een vinger portretteren. Het motief ”Vrouw met kanarie” ontwikkelende zich in de eeuwen daarna als een eigen schilderijengenre.
De kwinkelerende vogels werden in gouden kooien gehouden. In tuinen werden volières met kostbare versieringen aangelegd. De grote koninklijke tuinarchitect Buyeau de la Baraudeerie bepaalde dat de kanarievolière het belangrijkste ornament in elke aangelegde tuin was.
De kweek van deze begeerde kanaries lag geheel in de handen van Spaanse monniken. Er werden alleen mannetjes verkocht. De mannetjes zingen ook het mooist en strooien kwinkelerend hun plezier rond, omdat ze daarmee hun terrein afbakenen en de vrouwtjes lokken. Door alleen mannetjes te verkopen hadden de monniken bijna tweehonderd jaar het absolute monopolie op de teelt en maakten die buiten de muren van het klooster onmogelijk. De verkoop werd schaars gehouden om de prijs van de gezochte vogels hoog te houden. Alle pogingen om de vogels te kruisen met vinken en goudvinken mislukten omdat de inbreng van de gewone soorten te dominant was.
Niet alleen voor de monniken maar ook voor heel Spanje was de handel in kanaries een belangrijke economische factor, zodat het Spaanse hof, rijkelijk voorzien van vogels, een groot belang had in het instandhouden van het monopolie. De begerigheid van de Europese hoven groeide in de 17 e eeuw tot zo'n hoogte dat men een steeds groter aandeel in deze handel wilde hebben. Een paar vorsten ten noorden van de Alpen loofden hoge beloningen uit aan degene die een of meer kanariewijfjes zou leveren. Vooruitziende economen uit die tijd waarschuwden nadrukkelijk voor een ontwikkeling als in Holland, waar op 5 februari 1637 met een klap een eind was gekomen aan de zogenaamde tulpenmanie waarbij veel aanzienlijke rijke kooplieden in één nacht hun hele vermogen hadden verloren en aan de bedelstaf waren geraakt. Alle pogingen om aan kanariewijfjes te komen mislukten, de afscherming van de zangkanarie leek perfect. In enkele geschriften uit die tijd wordt vaker bericht dat de kloosters van de ‘vogelpijen' zoals men de monniken noemde, wel op burchten leken. Voortdurende zwierven er vreemden rond de kloosters in de hoop een losgebroken wijfje te vangen.
Abt Anton de Goedmoedige van het kapucijnerklooster, dat in 1679 door toedoen van de genereuze giften van raadsheer Peter Tasch uit Halle en andere weldoeners was gesticht , ergerde zich al jaren aan dat monopolie van zijn Spaanse geloofsbroeders, en zette alles op alles om het monopolie op de kanarieteelt te doorbreken. Al zijn inspanningen om op vreedzame wijze kanariewijfjes in zijn bezit te krijgen bleven zonder resultaat, dus besloot hij in 1699 er vijf jonge vurige knapen op los te laten om hem wijfjes te bezorgen. Voor dat ze erop uitgingen, onderwees hij ze in de kunst van verzorging en transport van vogels.
De knapen waren Johann Rupert uit Mattrei in Oost-Tirol, de broers Konrad en Jospeph Streiter en Georg Kammerlander uit Imst, en Christopherus Kathan uit Vorarlberg.
Met z'n vijven trokken ze de Alpen over met in hun bagage een aanbevelingsbrief van de abt, waarin stond dat ze vrome jongens uit Imst in Tirol waren en dat ze wilden intreden in een Spaans klooster, omdat een klooster in het noorden hen te koud was. In hun hoofd zat echter de opdracht ingeprent dat ze zo snel mogelijk terug moesten komen als ze kanariewijfjes te pakken hadden.
Bij het eerste klooster werden ze afgewezen. In het vijfde klooster waar ze hun verzoek indienden, konden er twee als knecht beginnen. De andere drie werden in een klooster in de omgeving als helper te werk gesteld.
Na een jaar was het zo ver: Ongemerkt hadden ze enkele wijfjes en mannetjes ontvreemd en ze maakten zich uit de voeten. Hun terugweg voerde over de Pyreneeën, door het Rhônedal, langs het Bodenmeer en hun eerste oponthoud in het vaderland was in Fraxern bij Vorarlberg, waar Christopherus vandaan kwam. De hele terugtocht waren ze bang geweest dat de Spaanse monniken hen zouden achtervolgen en wraak zouden nemen of op zijn minst de kanaries zouden doden.
Om hun toekomst veilig te stellen lieten ze een paar vogels in Fraxern achter, bezwoeren de ouders niemand iets over de vogels te vertellen en ze vervolgden hun weg naar Imst.
Wat de knapen echter niet wisten was dat de Spaanse monniken niet achter hen aanzaten want zoveel knechten smeerden hem stiekem en het monopolie was al langer, op brede basis aangetast. Engelse handelaren hadden in het geheim zelf wilde vogels van de Canarische eilanden geïmporteerd. In Zuid-Italië was van een schip in nood een hele lading ontsnapt, waardoor ze daar zelfs weer verwilderden. Deze vogels eindigden vaak weer in kweekkooien. Het groeiend aanbod aan kanaries drukte de prijzen snel.
In Engeland en Italië ontwikkelde zich een aparte kweeklijn: in Italië legde men vooral de nadruk op het uiterlijk van de vogel, op zijn houding, vooral die van de kop. In Engeland kweekte men met nadruk op de kleurigheid van de veren. In Imst bleef men kweken met nadruk op het bijzonder gezang. Deze onderscheiding in kweeklijnen is tot op heden zo gebleven. Zo is er een onderscheid tussen zang- poseer- en kleurkanaries.
In Imst werden de vogels door de mijnwerkers van de ijzerertsmijnen gekoesterd. Ze kweekten er mee verder, ze namen ze mee in de mijn waar ze gebruikt werden als waarschuwers tegen gasopeenhopingen of ze dienen ter amusement. Imst werd een centrum voor zangkanaries en ook hier werden ze een niet te onderschatten economische factor.
De kanaries in het kleine afgelegen mijnwerkersdorp Fraxern plantten zich ook voort. Al spoedig had elke boerenhoeve zijn eigen kwinkelerende vogels. De boeren hechtten echter geen bijzonder grote waarde aan wat voor speciale kenmerken of eigenaardigheden van de vogels dan ook. Men zou ze als de enige aan het klimaat aangepaste vogels in gevangenschap kunnen beschouwen. Wel merkten de boeren op dat de vogels zich boven de 1000 meter helemaal thuis voelden. Een specialiteit van het zonovergoten mijndorp Fraxern was, en is nog steeds, dat er wel twintig verschillende soorten kersen groeien, absoluut bijzonder op deze hoogte en dat die kersen zó lekker zijn dat ook nu nog in de kersentijd mensen van heinde en ver komen om kersen te proeven en te kopen.
De kanaries kregen deze kersen in hun kooien aangereikt en pikten er met het grootste genoegen van. In de kersentijd kregen ze bijna uitsluitend kersen en in ander jaargetijden vaak geweekt saffloerzaad, zaad van de zo geheten verfdistel (Carthamus tinctorius). Deze distel, verwant aan de artisjok, was destijds een gewaardeerde groente en is tegenwoordig alleen nog maar in het westen van Zwitserland of bij verstokte aanhangers van biologische levenswijzen bekend.
Toen de winning van erts in Imst aan het eind van de 18 e eeuw steeds meer terugliep en in de Harz nieuwe veelbelovende ertsaders werden gevonden, trokken veel mijnwerkers naar de nieuwe winningsgebieden en zij namen hun vogels mee. Een kleine groep mijnwerkers herinnerde zich de vogels uit Fraxern; en namen daarvan ook enkele exemplaren mee naar het gebergte in Midden-Duitsland, en zij vestigden zich in de buurt van de nieuw ontgonnen groeve Catharina in Sankt Andreasberg.
De mijnwerkers hoorden al snel dat de vogels die uit Fraxern waren meegenomen een helderder en zuiverder gezang hadden dan die uit Imst. In de 19 e eeuw hadden de vogels uit Fraxern hun gezang zo ontwikkeld dat men de kanarie uit Andreasberg een eigen naam gaf: de Harzer Roller.
In St Andreasberg ontspon zich een professionele teelt van Harzkanaries van dit type, zo zeer zelfs dat er een tijdlang jaarlijks meer dan honderdduizend vogels over de hele wereld geëxporteerd werden, met name naar Amerika, maar ook naar Australië en Zuid-Amerika.
In de Verenigde Staten werd in 1998 gedurende een breed opgezette studie naar zingende kanaries vast gesteld dat de stemspleet van de Harzkanarie er door een buitengewone flexibiliteit bovenuit sprong. Het vermoeden bestaat dat dit zou kunnen komen door het eenzijdig dieet van bijzonder hoogwaardig voeder vol organische zuren, suikers en pectines, bijvoorbeeld door kersen en saffloerzaad.
Tegenwoordig speelt de kanarieteelt geen economische rol van betekenis meer, er zijn nauwelijks nog professionele kwekers. De teelt speelt zich nu af op het gebied van verenigingen van kleine huisdieren. In Andreasberg staat een mooi kanariemuseum met heerlijk zingende edelzangers. In Fraxern zijn de laatste klimaatbestendige kanaries in een koude winter halverwege de 19 e eeuw uitgestorven, zodat de vogels die daar nu kwinkeleren opnieuw geïmporteerd zijn.
Tot slot moet nog gezegd worden dat het gerecht ‘Harzer Roller' geen in spek gerolde gebraden kanarie is, maar een bepaald soort schimmelkaas, verwant aan de stinkkazen, die zich prima laat inleggen:
De gepelde knoflook in plakjes snijden, de chili halveren en ontdoen van zaadjes. De Harzer-Roller per rolletje afgewisseld met laurierblad, thijm en rozemarijn, knoflook en chili in een potje stoppen. Opvullen met olijfolie. Donker en koel minstens 4 dagen laten intrekken. De kaas smaakt bijzonder goed als hij voor het gebruik besprenkeld wordt met een paar druppels wijnazijn en gegarneerd wordt met wat uienringen. De gekoelde ingelegde Harzer- Roller is ongeveer twee weken houdbaar.
Literatuur:
Wendt, Otto: Familienlexikon . Leipzig 1863.
Meyers Konversationslexikon . Leipzig/Wien Bd. 9. 1890.
Der Vogelfreund . Fachorgan des Deutschen Kanarien- und Vogelzüchterbundes e.V.Mainz/Laubenheim.
Das Kirschenwunder von Fraxern . Heimatblätter , Bd. 28. Bregenz 1952.
Geßner, Rolf: Pflanzen- und Tierschutz in Bergwerken am Beispiel des Harzer Raumes . Braunlage 2002.
Harzer Roller Kanarien-Museum, Sankt Andreasberg/Oberharz.
http://www.chefkoch.de 2004
Schülerinnen der Glückauf-Grundschule Andreasberg, 2004
http://www.geschichtsatlas.de/~gc7/index.html