![]() |
Plaats van herkomst: Duitsland. In de zomer van 2004 werd bij een inventarisatie van de inheemse flora in het noordoosten van Mongolië door kunstenares en biologe Gunda Rose Sprengel een nog niet gecatalogiseerde plant ontdekt. Het was een sterk woekerend onkruid dat concurrenten massaal verdrong en door de bevolking werd verfoeid omdat dit onkruid hun moestuinen bedreigde. Bij navraag aan de bevolking hoe ze met deze lastige plant omgingen kreeg G R Sprengel steeds als antwoord dat de zwarte kippen die de planten gretig uittrokken, waarna er schone grond achter bleef waarop ze hun tuinen konden aanleggen. Sprengel liet zich een paar kippen tonen. Het waren kippen met duifblauwe, zwart omrande veren en een grote, mooie rode bekervormige kam. Op de terugreis van haar expeditie onderbrak ze haar reis meermaals om in de dorpen langs de Transsiberische spoorlijn naar bio-ethnografische sporen te zoeken. En steeds stuitte ze op deze zwarte kippen met rode bekerkammen. Na de stad Krasnouralsk in de westelijke uitlopers van de Oeral hield het voorkomen van deze kippen abrupt op. In de late herfst van 2004 zag Gunda Rose Sprengel precies dezelfde kippen op een hoenderrassententoonstelling in Berlijn. Aan de kooi hing een rood bordje met gele letters en een uitroepteken |
Het Augsburger Hoen.
Categorie 1
(ernstig met uitsterven bedreigd)
Genootschap tot Behoud van Oude en Bedreigde Huisdiersoorten.
In 1880 kruiste de hoenderkweker Julius Mayer uit Haunstetten een La Flèche-haan met een Lamotte-hen. Het resultaat van de kruising werd een middelzwaar hoen met een brede borst, zacht vlees, dat goed was vet te mesten. Het werd tussen de 2,3 en 3 kilo zwaar, legde zo'n 180 witte eieren en had een zwak broedinstinct. Het postuur was robuust te noemen, de veren hadden een donkere, duifblauwe kleur en elke veer was zwart omrand. Voor de haan was de ringmaat 18 en voor de hen16. Bijzondere aan dit hoen was dat de rode getande kam van het La Flèche-hoen zich had ontwikkeld tot een grote, mooie, trotse kam met een dubbele rij, een bekerkam. Het Franse La Flèche-hoen stamt oorspronkelijk net als het Italiaanse landras Lamotte af van het Spaanse Minorca-hoen dat uit de omgeving van Domingo de la Calzada komt.
Bij het bedenken van een naam voor zijn nieuwe hoenderras dacht Julius Mayer eerst aan de naam Mayerhoen, daarna aan Haunstetterner Hoen, en koos daarna voor het nabijgelegen Augsburg en noemde het Augsburger Hoen. Overigens werd Haunstetten in 1972 bij Augsburg ingelijfd.
Op de derde Zwabische Hoenderrassententoonstelling te Gunzburg in 1882 ondervond het Augsburger Hoen veel belangstelling. Julius Mayer verkocht zes tomen 1/3 ( een haan en drie hennen) en ging tevreden naar huis met nog 25 bestellingen. Het hoen verspreidde zich snel over het Beierse en Zwabische land. Dank zij boer Joseph Schaiter uit Unterkirnach in Schwarzwald, die zijn bezoek aan de hoenderrassententoonstelling van 1882 combineerde met een bezoek aan zijn nicht Gertraud in Ulm en de toom Augsburger Hoenders mee naar huis nam, werd het Schwarzwald op een na belangrijkste distributieplaats van het Augsburger Hoen.
In het Schwarzwald veranderde terzelfder tijd de verentooi van het traditionele hoen. Die verloor haar kleur. Een effen zwart verdrong de kleurigheid van het verenkleed, alleen de uitdossing aan de kop, de kam en de lellen, in allerlei bonte meestal rode kleuren, bleven onveranderd. Veel bewoners van het Schwarzwald zagen een overeenkomst tussen hun eigen zwarte hoenderen met hun grote, rode koptooi en de Augsburger Hoenderen die immers ook een rode uitdossing op hun kop hadden, en namen de hoenderen gretig op.
In de tientallen jaren daarna verbreidde het Augsburger Hoen zich over heel Duitsland. Regionale concentraties worden door historici, die het huisdier bestuderen, ook wel de ‘Nedersaksische strook' genoemd. Het gaat dan om de dorpen Natendorf, Dörmte, Polau, Zarenthien en de Wendlandsche dorpen Waddeweitz en Küsten. In al deze dorpen hield men Augsburger Hoenderen en deze plaatsten liggen als een streep door de Duitse laagvlakte. Verder waren er nog centra bij Dresden, bij Martinsbuch in Neder-Beieren en bij Braunsberda in de buurt van Leipzig.
Het hoen werd als huisdier en als pronkdier hoog op prijs gesteld. Wat tegenwoordig voor bijzonder probleem, het belangrijkste probleem bij de fok, gehouden wordt en ertoe geleid heeft dat het nu in categorie1 van de met uitsterven bedreigde huisdierrassen geplaatst is, werd vroeger juist positief gewaardeerd:
Een gave bekerkam wordt slechts beperkt doorgegeven!
Bij de paring van het Augsburger Hoen komen er statistisch gemeten 25% getande kammen voor, 25% enkelvoudige kammen en slechts 50 % bekerkammen, en hiervan zijn er veel aan de achterzijde niet gesloten, andere weer niet gelijkmatig gevormd en vele te hoog, zo dat ze omvallen en daardoor niet voldoen aan de strenge wedstrijdnormen.
Vroeger stoorde dit die paar hoenderbezitters helemaal niet, want ze hadden toch maar mooi een hoenderras dat zowel een nuttig dier als een pronkdier was . Met een goed uitgevallen hen of een bijzonder statige, trotse haan kon men op pronkdagen schitteren. De andere dieren kon men zonder veel probleem en bedenkingen gebruiken als nutsdier, dat wil zeggen in de pan stoppen.
Enkele jaren na het eind van de verwoestende periode van het Nationaal-Socialisme beleefde het Augsburger Hoen zijn grootste verspreiding. Het nieuw geïnstalleerde bestuur van de deelstaat Beieren onder leiding van de eerste Beierse minister-president Dr. Hans Ehard, ontdekte al snel dat het Augsburger Hoen het enige Beierse hoenderras was dat voldeed aan de nieuwe richtlijnen voor hoenderen van de Bondsrepubliek Duitsland. Als de Beierse deelstaatregering dit Beierse ras zou ondersteunen, kon zij haar positie in de zich nieuwe republiek, die zich aan het hergroeperen was, versterken, haar eigen cultuur als onafhankelijke staat uitdragen en de specialiteiten van Beieren benadrukken.
De Beierse regering gaf ruimhartig ondersteuning, schreef prijsvragen uit met vette premies, gaf alle bezitters van Augsburger Hoenderen subsidies, zodat het ras zich deelstaatbreed zou kunnen verbreiden. Al spoedig was er geen Beiers dorp meer waar zich niet minstens een boer met een paar exemplaren van deze hoenderen bevond. Destijds kon men in spotprenten de zwarte haan met de Beierse leeuw zien smoezen, waarbij de tekenaars zich vrolijk maakten over de overdreven promotie van het hoen. In de Süddeutsche Zeitung van 1 april 1958 werd als aprilgrap een aankondiging verspreid dat Beieren voortaan het hoen als heraldisch dier wilde invoeren in plaats van de leeuw en dat binnenkort onderhandelingen tussen de deelstaat en Frankrijk zouden plaatsvinden over de aansluiting van Beieren bij Frankrijk.
Aan het eind van de zestiger jaren veranderde de zaak plotseling. Tot dan toe hadden de hoenderen keukenafval gegeten, in de aarde naar wortelen en kleine insecten gezocht en in het voorjaar waren er extra lekkere hapjes geweest. Kinderen verzamelden in die tijd graag meikevers die ze voor de kippen gooiden en die deze gulzig krakend naar binnen werkten. Hun eieren werden dagelijks geraapt, wat ze niets kon schelen en af en toe verdween er een onder de bijl, of een heleboel voor de feestdagen. Kip gold destijds als een traktatie, als dis voor speciale dagen.
Echter, halverwege de jaren zestig kwamen plotseling de koude, naamloze kippen, strak in plastic verpakt, en die verbreidden zich snel. Eerst stonden de mensen afwijzend tegenover deze koude, harde kippen. Bij veel gezinnen werd tijdens de maaltijden de goedkope, koude kippen uit plastic en de vers geslachte, bevroren kip vergeleken en men vond het onderscheid niet zo groot, en die koude kippen waren ook nog behoorlijk goedkoper dan de verse. Zo wonnen de naamloze verpakte kippen zonder naam heel snel terrein.
Voor de gangbare kipvleesproductie waren de Augsburger Hoenderen ongeschikt, ze waren te eigenzinnig en namen te veel plaats in de kooien in. De krappe kooien verlangden inschikkelijke rassen, die zich makkelijke machinaal lieten plukken, of veel meer eieren op de transportband legden en dan ook nog tevreden waren met vismeel. Dit had tot gevolg dat de industriële kippenboer het Augsburger Hoen niet voor zijn doel kon gebruiken. Nu ging de negatieve kant van de niet-perfecte dubbele kam van het mooie pronkdier meewegen, want wat moest men met die hele meute hoenderen, die geen mooie rode, rechtopstaande bekerkam had, aanvangen? Daar kwam nog bij dat de ondersteuning van de deelstaat afgeschaft werd, want Beieren had intussen zijn specialiteit als onafhankelijke deelstad kunnen profileren. Het geld stroomde nu naar de kippenboerderijen, die industrieel en innovatief voor de snel groeiende grillmarkt produceerden. De bestaansredenen van het Augsburger Hoen smolten weg als sneeuw voor de zon.
In het oosten van Duitsland, in de DDR, werden ter leniging van de behoefte aan kip van de bevolking op grote schaal batterijkippen ingezet, maar enkele staatsfokkerijen bleven uit politieke overwegingen nog Augsburger Hoenderen fokken. Deze hadden een bijzonder mooie blauwe kleurglans, zodat ook nu nog het hoen in twee kleurstellingen voorkomt en bij wedstrijden op beide kenmerken beoordeeld wordt. Het Augsburger Hoen uit het oosten sleepte regelmatig prijzen bij internationale wedstrijden binnen en het hoen uit het westen stak bij haar steeds weer armzalig en verpieterd af. De vele internationale prijzen die ze veroverde bewezen onomstotelijk de suprematie van het oosten over het westen, ook in een zo marginale sector als de teelt van het Augsburger Hoen.
In 1972 presenteerde de staatsfokkerij ‘Reine Freude' op de Prestatieshow van Alle Verenigingen der Socialistische Landen tijdens landbouwdagen in Kiev haar Augsburger Hoenderen. Yuri Chechi uit een kolchoze in de buurt van Krasnouralsk, een districtshoofdstad gelegen in de uitlopers van de westelijke Oeral met een provisorische halte aan de Transsiberische spoorlijn, verwierf vijfentwintig tomen, 5/20. Dit was de grote sprong het diepe oosten in van de hoenderen van Julius Mayer, waar ze een onvermoede, verborgen carrière zouden maken.
Na de Wende werden bijna alle hoenderrassen van de DDR helemaal uitgeroeid. Men wilde het aanbeden westen en de Duitse mark niet opzadelen met lastige zaken van het oude regime en de staatsfokkerijen leeg opleveren of helemaal opnieuw beginnen. Helaas hielp dat niet, want veel voormalige staatsfokkerijen staan nu nog overal als lelijke, pijnlijke en overbodige ruïnes in het land, en zo verging het ook de voormalige staatsfokkerij ‘Reine Freude'. Dankzij de invoer van het privé-bezit dat nu voor iedereen vrijelijk gold, konden enkele hoenderen zich handhaven, maar hun aantal wordt elk jaar minder.
Er zijn nu zo weinig exemplaren over, dat ze zeldzaam zijn en dat liefhebbers ze op internet moeten zoeken. Op enkele biologische boerenbedrijven die zich specialiseren in uitstervende huisdiersoorten zijn nog een of twee tomen te vinden. In het levend boerderijmuseum van Illerbeuren in de Allgaü werd tot voor kort nog een toom Augsburse Hoenderen gehouden. Het was de trots van het museum, tot op een vroege avond toen de kippen nog niet op stok waren, een slimme, hongerige vos langskwam.
Onopgemerkt verbreidde de hoenders van DDR-variant zich over Rusland. Vanuit Krasnouralsk trok het Augsburger Hoen in het kielzog van de ambulante handel van dorp tot dorp met het regionale vervoer van de Transsiberische spoorlijn naar het oosten. Voor een deel vermengde het zich met de inheemse hoenders, maar de dominante erfelijke eigenschappen van Augsburg kwamen iedere keer weer tot expressie, zodat tegenwoordig het spoor van het Augsburger Hoen tot in Mongolië te volgen is.
Op initiatief van kunstenares en biologe Gunda Rose Sprengel onderzoekt een team onder leiding van hoogleraar Inge Leicht verbonden aan de Humboldt-universiteit van Berlijn sinds de zomer van 2005 de verspreiding van huisdierrassen langs spoorlijnen. Het onderzoek wordt bekostigd door de DFG (Deutsche Forschungsgemeinschaft) en draagt de naam: ‘Interdisciplinair onderzoek naar de verspreiding van nutsdieren als gevolg van de van station tot station waargenomen verspreiding van de Midden-Europese mineermot door gebruikmaking van het spoorwegnet.'
Literatuur:
T. Spel, W. Schwarz, Hühnerzucht für jedermann , Reitlingen, 1999.
M. Platzbecker, Der große Geflügelstandart in Farbe , 3 Bände. Reutlingen, 2000.
O.Ott, Das Huhn als Spiegel der Landwirtschaft , Illerbeuren, 2002.
E. Verhoef, A. Rijs. Hühner-Enzyklopädie , Utting an Ammersee, 2002.
P. Hammer, Der Weg der Hühner als zivilisatorischer Prozess , Dissertationsdruck, Göttingen, 2004.
S. Sprengel, Überraschungen auf Exkursionen , In: Beitrage zur Exkursions-Forschung, Berlin 2005.