zu den Dingen

über das museum

dinge im buch

Plaats van herkomst: Duitsland.

De afstammeling van het Duitse dichtersechtpaar Bettina und Achim von Armin, Achim von Armin-Bärwalde was een grote Italiëminnaar. In 1889 probeerde hij de Duitse eik met de Italiaanse olijfboom te kruisen. Jarenlang gold zijn poging als mislukt, tot zich onlangs door nieuwe DNA-analyses van eikels uit de tuin van zijn slot Wiepersdorf een verrassing openbaarden.

De Olijfeik (Quercus olivae) van Wiepersdorf
Of:
Waren de pogingen van baron Achim von Arnim – Bärwalde om olijf en eik te kruisen succesvol?

Es muß gelingen !” (Het móet lukken!)

Deze korte opmerking schreef Achim von Arnim-Bärwalde (1848-1891) in de herfst, vier maanden voor zijn dood op een briefkaart aan baron von Grudtwitz die hij op een reis naar Italië in Como aan het Comomeer had leren kennen. Von Grudtwitz begreep onmiddellijk de korte bijna vertwijfelde uitroep waar ook een uitdagende overtuiging in lag.

Achim von Arnim-Bärwalde, de veel te vroeg gestorven nakomeling van het dichtersechtpaar Bettina en Achim von Arnim, erfde in 1870 na een afgebroken rechtenstudie het beheer over het familielandgoed in Wiepersdorf bij Berlijn.In zijn jeugd had hij zich aangetrokken gevoeld tot de schone kunsten en dus besloot hij nog datzelfde jaar in Berlijn kunstgeschiedenis te gaan studeren. Maar al spoedig ontdekte hij dat hij zich niet alleen met kunst wilde bezighouden maar dat hij ook zelf kunst wilde maken. Dat hij roeping voelde om kunstschilder te worden. Hij vertrok naar München, de toenmalige hoofdstad van de academische schilderkunst, om zich te bekwamen als historieschilder.

In de zomer van 1872 ging de inmiddels 24-jarige schilder voor het eerst op excursie naar Italië, viel onmiddellijk voor de schoonheid van het land en raakte verliefd op haar kunstschatten. Op deze eerste reis naar Italië besloot hij zijn stamslot te verbouwen in de veel modernere neobarokstijl en in zijn tuin Italiaanse beelden neer te zetten. Van deze reis bracht hij drie Italiaanse vazen mee. In 1877, na de verbouwing en de aanbouw van een drie-assig atelier aan de noordkant van het huis in Wiepersdorf, schafte hij op een volgende reis naar Italië, het was inmiddels zijn vierde reis, een Jupiterbeeld en ettelijke vazen aan. Teruggekeerd van de reis liet hij een overhangend terras aanleggen waarvan de constructie ondergronds werd weggewerkt, en een centraal gelegen bloemperk waardoor zowel de reeds bestaande als de nog aan te kopen kunst een waardig geënsceneerde en representatieve omlijsting zouden krijgen.

Geïnspireerd door de grote tuinontwerper vorst Pückler, die hij in zijn jonge jaren had leren kennen en die hij bewonderde, begon hij in zijn park in Wiepersdorf bomen te planten langs de zichtassen. Hij was bepaald dol op eiken, met name op de in Italië veel voorkomende altijd groene steeneik (Quercus robur) en op de bladverliezende druiveneik (Quercus petraea).

In 1888 en 1889 bouwde Von Arnim-Bärwalde aan de zuidzijde van zijn park een Oranjerie van een verdieping hoog om hierin olijvenbomen van de soorten Cerignola, Ligurine en Kugano te kweken. Hij wilde echter niet alleen olijvenbomen vermeerderen: zijn eigenlijke doel was ze te kruisen met de inheemse eik. Olijveneik (Quercus olivae) zou de nieuw geschapen boom moeten heten. Op deze pogingen slaat de hierboven geciteerde uitroep in de brief aan baron von Grudtwitz. Achim von Arnim-Bärwalde was aanhanger van de destijds wijd verbreide theorie van de overeenstemming. Deze theorie beweerde dat elke plant beoordeeld moest worden op haar uiterlijk, en dat haar betekenis voor de mensheid achterhaald moest worden omdat, met de historische betekenis in beschouwing genomen, de overeenkomst, afstamming en verwantschap van plantengeslachten zich hierin openbaarden. Deze theorie ontstond model als tegenwicht tegen het inmiddels veld winnend natuurwetenschappelijk onderzoek dat als koud, ontledend, analytisch en zonder visie veroordeeld werd.

Achim von Arnim-Bärwalde zag grote overeenstemming tussen de eik en de olijf. Niet alleen leken de vruchten verbluffend veel op elkaar, maar dat beide boomsoorten meer dan duizend jaar oud konden worden en van grote mythologische betekenis waren vond hij zeer opmerkelijk. De Germanen verbonden de eik met Thor de Dondergod, in Griekenland was het de met bliksem smijtende Zeus: de olijventak was van oudsher een vredessymbool, de eikentak een rouwsymbool voor gevallen helden. Beide bomen werden als Levensboom vereerd. Beide vruchten werden als voedsel gebruikt, de één door mensen, de ander door varkens. Uit olijven werd smakelijke olie gewonnen, uit eikels werd een aangename drank die op koffie leek gebrouwen.

Door deze en andere heldere en eenduidige overeenstemmingen voelde Achim von Arnim-Bärwalde zich in zijn ideeën gesterkt en hij was er van overtuigd dat een kruising, hoewel moeilijk, ook mogelijk moest zijn. Hij meende dat de druiveneik en de olijfsoort Liguria er het meest geëigend voor waren. Zijn eerste experimenten begon hij met verschillende kruisingsmethoden tegelijk. Hij kruiste door bestuiving, door wortels te enten, door takken en zaden te enten in de hoop dat daar een nieuwe soort uit zou groeien. De eerste stekjes waar hij koortsachtig op wachtte kwamen uit de geënte takken en uit de bestuivingen en zagen er uit als gewone eikenscheuten. Vijf hiervan, die hem het sterkste leken, vertroetelde en verzorgde hij en plantte ze in de herfst van 1890 buiten uit.

In februari 1891 overleed Achim von Arnim-Bärwalde zonder directe erfgenamen. Zijn oudste neef Erwin von Arnim (1862-1928) erfde de bezitting en liet de tuin volgends plan voltooien. Erwin von Arnim, die zelf op zijn slot in Zernikow bleef wonen, stond de dorpsbewoners van Wiepersdorf toe de afgevallen eikels te rapen om hun varkens mee te voeren. Dit ongeschreven recht werd gewoonterecht en is dat tot op heden gebleven.

De vijf stekjes hebben zich ontwikkeld tot grote eikenbomen. Ze hebben vele stormen doorstaan, enige hele koude, langdurige winters, de Russische bezetting van het slot en de onteigening van de boerderij die bij het landgoed hoorde. De boeren van het dorp raapten zonder elk systeem en in elk weertype de eikels in de slottuin en voerden ze aan hun varkens. Toen er in 1956 min of meer onvrijwillig een staatsvarkensfokkerij gevestigd werd vraten de varkens voortaan de eikels uit het slotpark dat nu officieel ‘Park van het Rusthuis der Intellectuelen' heette. Het varkensvlees van de staatsfokkerij uit Wiepersdorf dat van meet af aan als bijzonder verfijnd gold, werd in de DDR als het beste van de republiek beschouwd en in alle culinair-socialistische lekkerbekgidsen beschreven als bovengemiddeld smakelijk. Het vlees werd beschreven als mals, kruidig, aangenaam licht zoutig en toch niet te droog en steeds weer onderscheiden met medailles en andere onderscheidingen. Voor staatsbanketten in Berlijn werden regelmatig varkens uit Wiepersdorf aangevoerd.

In 1992 werd de staatsfokkerij afgebouwd en in 1995 stopgezet. In de Hybridenvarkensfokkerij NV in het buurdorp Werbig wordt sindsdien getracht volgens de traditie van Wiepersdorf door te gaan maar tot op heden is het nog niet gelukt ook maar in de verte de vleeskwaliteit van de varkens uit Wiepersdorf te benaderen. In de herfst van 2003 werden in het kader van het in kaart brengen van het eikenbomenbestand van de deelstaat Brandenburg ook de eiken van het Slot Wiepersdorf, dat heden een kunstenaarsnederzetting is, onderzocht. Het overweldigende zwart van enkele rijpe eikels van de druiveneik viel professor dr. Begas van het Instituut voor Digitale Plantensystematologie in Potsdam op. Bij aanvang van het onderzoek kon geen afwijking van reeds bekende druiveneiken vastgesteld worden. Pas bij de DNA-analyse van deze opvallend zwarte eikels werd in de dubbele helix van het DNA een voor de druiveneik wezensvreemde heterocyclische verbinding (purine) gevonden. Bij een vergelijkend dataonderzoek kon een overeenkomst van deze purineverbinding met dat van de olijvensoort Liguria worden vastgesteld.

Sindsdien strijden de experts over de vraag of de pogingen tot kruising van Achim von Arnim-Bärwalde succesvol zijn geweest of dat de kleine DNA-afwijking eigenlijk wel als kruising aangemerkt kan worden: of de vijf eiken in Wiepersdorf nu als nieuwe eikensoort of als olijveneiken beschouwd moeten worden, of dat het een toevallige speling van de natuur is waar verder geen aandacht aan geschonken zou moeten worden. De eikels van Wiepersdorf liggen elke herfst opnieuw in de slottuin, maar worden nog maar weinig door de dorpsbewoners geraapt. Regelmatig glijdt een van de op het slot verblijvende kunstenaars over de eikels uit als hij of zij peinzend door de tuin loopt en struikelend op andere gedachten komt.

 

Literatuur:

B. Albrecht/D. Sossenheimer, Wie man es jedem/r Recht macht, München 1995.
V. Dathe/K. Dietrich/R. Schallhammer, Kulinarisches Hochleistungen, Berlin 1988.
M Fabisch/K. Hauptvogel, Von der Kunst Gärten zu pflegen, Dahme 1999.
A. Karbaum/K. Kummer, Bereinigte Kunst, Jüterborg 2000.
R. Karbaum, Das Wissen um Wiepersdorf, Berlin 1996.
M. Richter, Über die Geduld und die Fruendlichkeit, Luckenwalde 1997.
U. Schiemann, Die Bank und die Künstler, Wiepersdorf 1994.