zu den Dingen

über das museum

dinge im buch

Plaats van herkomst: Oostenrijk.

Wetenschappelijke verklaringen van natuurverschijnselen worden gekleurd door hun tijd. Aan de hand van verschillende verklaringen voor het bestaan van rolstenen uit een steengroeve bij Eggenburg in Oostenrijk, kan de verscheidenheid in betekenissen die er aan gegeven werden, van luchtschepen tot dinosauriëreieren, weergegeven worden.

Over de geschiedenis van de natuuruitleg aan de hand van een rolsteen uit het Natuurhistorisch Museum in Wenen

Vlak bij Eggenburg in Oostenrijk, ongeveer 80 kilometer ten westen van Wenen, daar waar het uitgestrekte laagland ophoudt en het landschap heuvelachtig wordt, waar het Oostenrijkse boslandschap begint, ligt onder aan de eerste berghelling de steengroeve Limberg. Deze steengroeve wordt ook wel het ‘Journaal van de Aardgeschiedenis' genoemd omdat zich hier alle verschuivingen, afzettingen en bezinksels van meer dan 20 miljoen jaar, bijna naar jaartal gesorteerd, aftekenen en zich laten lezen. De ijverige verzamelaar uit Eggenburg, Johann Karahuletz (1848-1928) die onaangedaan door alle kritiek en alle aantijgingen zijn onderzoekingen verrichtte en zijn archeologische verzameling uitbouwde tot een archeologisch museum, herkende in zijn tijd als eerste het unieke karakter van deze steengroeve.

Uitzonderlijk zijn de gladde, kogelronde stenen van verschillende grootte. Tegenwoordig worden deze als rolstenen getypeerd. Ze bestaan uit Maissaus graniet, een plutoniet uit de diepten van de aarde, een zeer dicht en keihard gesteente. Deze ronde stenen zijn niet alleen maar geologisch interessant. Aan de hand van de betekenis die men hen toekende en aan hun toepassing kan hun geschiedenis, hun gebruik en de ontwikkeling van tijdgebonden inzichten afgelezen en zichtbaar worden gemaakt.

Sinds mensenheugenis waren deze stenen al zeer geliefd: In veel hunnebedden en heuvelgraven uit de Bronstijd, en zowel in de oudere als jongere IJstijd worden ze vaak gevonden als grafgift. Bij opgravingen in nederzettingen uit de vroegste geschiedenis, in Kagran en Aspern vlak bij het tegenwoordige Wenen, werden ze ook gevonden. Omdat het hier niet om grafgiften gaat, is nog niet duidelijk welke betekenis hieraan moet worden gehecht. De eerste kogelronde stenen doken reeds in Rome op vlak nadat de Romeinen rond 15 na Chr. in de legerplaats Carnuntum, op de plaats waar nu Wenen ligt, neerstreken. Toen het Tiende Legioen Gemina Pia Fidelis rond 114 na Chr. haar hoofdkwartier dat inmiddels Vindobona heette, uitbreidde, ontstond er een levendige handel in rolstenen die duurde tot de Romeinen zich in het jaar 500 terugtrokken.

Het gold als zeer chique in het oude Rome om dergelijke kogels te bezitten en te tonen. Veel historici schrijven deze stenen ook ceremoniële eigenschappen toe.

De eerste schriftelijke verwijzing naar de stenen stamt uit het jaar 1213. Bisschop Ottbrecht schrijft aan paus Benedictus VIII in een stuk waar slechts fragmenten van bewaard zijn, over een gehucht met de naam Lufritz (ca 20 kilometer van het tegenwoordige Eggenburg gelegen) en bericht dat de bevolking het heeft over een landingsplaats voor luchtschepen, die daar zouden landen om de daar aanwezige gelijkmatige, ronde, kogelachtige stenen als noodzakelijke ballast op te pikken. Het geloof in luchtschepen was wijd verbreid in Europa, ze werden overal waargenomen. De omgeving van Lyon in Zuid-Frankrijk was een concentratie van landingsplaatsen voor luchtschepen, en ook uit Engeland, Spanje, Noord-Duitsland en zelfs uit Oostenrijk kwamen berichten over het voorkomen van en activiteiten door luchtschepen. Het bestaan van luchtschepen werd gevoed door het geloof, dat in de ruimte boven de wolken, in het blauw van de hemel en in de hemel zelf geleefd en gewoond werd. Wie daar leefden- de luchtschippers- zouden regelmatig naar de aarde afdalen om ballast op te nemen die ze nodig hadden om op hoogte te kunnen blijven en om te navigeren. Men ging er van uit dat elk gewicht daarboven in de lucht langzaam vervluchtigde en daarom van tijd tot tijd ververst moest worden. Maar de luchtschippers waren niet alleen uit op ballast. Als ze eenmaal hier waren zouden ze ook delen van de oogst meenemen, wijnvaten leegmaken, versgebakken brood ontvreemden enzovoorts. Men nam ze voor lief en had eerder een kwajongensachtige verhouding met ze. Zo zelfs dat de luchtschippers de schuld kregen van achtergehouden belastingen in natura die niet afgedragen konden worden.

De kerk in Rome bestreed het geloof in luchtschepen fanatiek, want ze zag hen als een concurrent van God met zijn hemelse heerscharen. De hemel was niet berekend op twee belastingvergaarders. De brief van bisschop Ottbrecht aan paus Benedictus VIII gaat dan ook over de strijd tegen het geloof in luchtschepen. Hij vraagt daarin hoe hij het beste dit vastgeroeste bijgeloof aan zou kunnen pakken en hoe hij dan het fenomeen van deze hele ronde stenen kogels zou kunnen verklaren. Helaas is daar nooit een antwoord op gekomen.

In het steeds opnieuw geciteerde, rijk geïllustreerde boek ‘Gottes Geschöpfe des himmlischen Paradieses' (Gods schepping van het hemels paradijs), dat verloren is gegaan, werd in 1318 gewag gemaakt van een eenhoorn, die met zijn hoorn een balspel speelt, met een afbeelding erbij. Volgens de talrijke commentaren hierna zou de bal een ronde steen zijn. De eenhoorn stond in een zekere vlakte met een gouden, op brokaat lijkende achtergrond. Rechts en links was zicht op een bergketen die uit de vlakte oprees en die sterk leek op de omgeving van de steengroeve bij Eggenburg. Andere vermeldingen van eenhoorns die met hun hoorn met een bal spelen duiken steeds weer op in processen verbaal afkomstig uit Benedictijnerkloosters uit de omgeving van Reichenau die tegenwoordig bewaard worden in de bibliotheek van St Gallen. Deze bewaard gebleven berichten bevatten noch afbeeldingen noch duidelijke plaatsnamen. De balspelende eenhoorn staat symbool voor de kracht van de maagdelijkheid van Maria. Met deze kracht zou men zonder moeite zware stenen kunnen verplaatsen zoals de eenhoorn met zware stenen een lichtvoetig spel kon spelen om de tijd te verdrijven. Hierdoor bezaten de ronde stenen in Europa een tijdlang de status van bijna-relikwie. Tot op heden worden ze, met veel goud versierd, in veel schatkamers van kathedralen nog gewaard.

Leonardo da Vinci schetste in 1475 een windmolen waarbij het hele molenhuis met de wind meedraait. In precieze detailtekeningen laat hij op indrukwekkende wijze zien dat het huis op heel veel ronde stenen van gelijke grootte staat. De stenen worden van boven en onderen door een U-vormige ring bijeengehouden. Ontpitte en gedeeltelijk geplette olijven zijn te herkennen als smeermiddel. Deze tekening geldt als de eerste afbeelding van een moderne, doordachte kogellager. In zijn typische, gespiegelde handschrift voegde Da Vinci de opmerking hieraan toe dat de beste kogels voor deze constructie de ‘kogel uit Wenen' zouden zijn. (De steen uit Eggenburg was in die tijd erg in trek in Italië als ‘Weense kogel' en werd in heel veel huishoudens als verfraaiing geëtaleerd.)

In de Renaissance, toen men teruggreep naar de waarden van de oude Grieken en Romeinen, werden ook de stenen kogels opnieuw ontdekt en hogelijk gewaardeerd. Ze stonden symbool voor zowel de kracht en schoonheid van het antieke verleden, de symmetrie van God, de harmonie van de oude beschaving, waardoor men zich liet inspireren, en ook voor de harmonie van Gods schepping. Deze interpretaties bleven slechts kort gangbaar. Reeds vijftig jaar later werden dezelfde kogels als geheime tekens gebruikt door aanhangers van het verboden copernicaanse wereldbeeld waarin zowel de wereld als het heelal als een bol werden opgevat. In het jaar 1529 stond het Turkse leger onder aanvoering van sultan Suleiman in al haar pracht en praal en 100.00 man sterk voor de poorten van Wenen. Graaf Nicolaas Salm liet de voorsteden platbranden en nam de leiding bij de verdediging van Wenen. Op 22 september was de Turkse omsingeling voltooid. Sultan Suleiman regelde met honderden ossenkarren een pendeldienst op de steengroeve van Limberg bij Eggersburg en liet daar de ronde stenen in grote getale verzamelen, ze naar de poorten van Wenen vervoeren en met katapulten over de verdedigingswal slingeren. Menig inwoner werd door stenen getroffen en vele daken gingen er aan. Na een bijzonder zware aanval werden kinderen ingezet om de stenen opzij te rollen zodat het verkeer in de straten niet al te veel gehinderd werd. Dat jaar viel de winter erg vroeg in en dwong de Turken reeds op 14 oktober 1529 op te breken en zich onverrichter zake terug te trekken. Tijdens deze 22 dagen regenden er meer dan 15.000 stenen kogels op Wenen neer.

Tussen 1713 en 1728 maakte graaf Ludwig von Schowiks met de rolstenen zijn eerste ballistische projectielbaanberekeningen. Hij had een speciale voorkeur voor heel erg ronde stenen. Voor de bevolking van Eggenburg was het een buitenkansje deze zeer ronde stenen te zoeken. Von Schowiks had er nooit genoeg. Ze leken hem bij uitstek geschikt omdat hij meende dat ze een dichte centrale kern bezaten. De theorie was dat bepaalde stenen, de zogenaamde kernstenen, van binnenuit gegroeid waren en daarom een hele verdichte kern bezaten. Rond deze zogeheten groeikern was de steen in duizenden jaren aangegroeid en had zo haar tegenwoordige kogelvorm gekregen, net zoals bij de jaarringen van bomen gebeurt.

In de steengroeve van Eggenburg waren de omstandigheden optimaal voor de groei van ronde stenen. Daar hadden alle stenen zich, niet gehinderd door invloeden van buitenaf, kunnen ontwikkelen. Graaf von Schowiks meende dat de stenen bovenal geschikt waren voor zijn ballistische proeven omdat alle stenen in de kern hetzelfde gewicht zouden bezitten, zodat er geen zijdelingse krachten zouden optreden en de kogels niet uit hun beoogde baan getrokken werden.

In 1855 bezocht een excentriek gezelschap uit Groot-Brittannië Eggenburg. Sir George Watt streek met een groep van 35 personen voor twee maanden neer in het plaatsje om de steengroeve te onderzoeken. Vijf jaar daarvoor was Watt op expeditie geweest in het Hogargebergte en sindsdien droeg hij enkel nog maar de gewaden van de Touaregs, waarvan hij helemaal in de ban was geraakt. Van zijn bedienden kwamen er zeven uit de Sahara en zij stonden borg voor de authentieke uitstraling van het gezelschap.

Sinds Watt in 1841 in Groot-Brittannië de voordracht van Anthony Richard Owens had bijgewoond, die voor het eerst had gesproken over fossiele resten in Groot-Brittannië en daarbij het tot dan toe onbekende begrip dinosauriër had gebruikt, reisde hij door de wereld om eveneens dinosauriërfossielen te vinden. Hij was er van overtuigd dat het bij deze stenen om dinosauriëreieren ging. Watt nam 23 exemplaren mee en hield op 5 augustus 1856 in de Academie voor Niet-geïnstitutionaliseerde Geleerden te Londen een voordracht met de titel: Over het bewijs van Dinosauriërs in grote aantallen , ontdekt en geëvalueerd door Sir George Watt persoonlijk.(About the Evidence of Dinosaurs in Large Quantities, discovered and evaluated by Sir George Watt himself).

Na de voordracht schonk hij zijn dinosauriëreieren aan het Natuurhistorisch Museum van Wenen, dat in de beginfase van de opbouw verkeerde en waar ze nog altijd als curiosum te zien zijn.

Tegenwoordig wordt de herkomst van de ronde stenen gesitueerd in de oerzee Paratethy, die 20 miljoen jaar geleden de aarde bedekte. De plaats waar tegenwoordig de steengroeve ligt was de rand van de zee. Uitgestrekte steenstranden en de heen en weer bewegende zee hebben de steen, het Maissaus graniet, tot de ronde stenen geslepen die we nu kennen.

Met dank aan Reinhard Golebiowski van het Natuurhistorisch Museum van Wenen, die mij op het bestaan van de rolstenen wees en mij een stuk afstond.

 

Literatuur:

T. Frunka, Das Spiel des Einhorns, Leipzig 1912
P. Mayer, Zur Entwicklung der Wurfparabel, Nürnberg 1986
F. Römer, 1000 Jahre Österreich, Wien 1996