![]() |
Tot aan de tweede helft van de 15 e eeuw werd er uitsluitend rode wijn gebruikt als miswijn. Witte wijn werd voor het eerst als miswijn toegelaten in 1478. Oorzaak daarvoor was pastoor Gino Dante uit Saluzzo. De pastoor ging zelf helemaal in zijn preken op, gebruikte daarbij zijn hele lichaam, reikte steeds omhoog en kromp daarna weer ineen, gesticuleerde met zijn handen om de woorden van de Heer aanschouwelijk te maken en kracht bij te zetten – en morste daarbij regelmatig rode miswijn. |
Tot aan de tweede helft van de 15 e eeuw werd als miswijn uitsluitend rode wijn gebruikt. Witte wijn werd voor het eerst in 1478 als miswijn toegestaan. Bisschop Philippus Bruno uit Cuneo schreef in een onderdanige brief aan paus Sixtus IV, die juist bezig was met het bouwen van een nieuwe pauselijke huiskapel, om toestemming een rode wijn, uit de blauwe Spätburgunder, die als wit geperst werd, te mogen gebruiken om de heilige Eucharistie te vieren. Er ging bij de brief een vaatje van deze witgeperste rode wijn mee zodat Zijne Excellentie in Rome ook zintuiglijk kon beoordelen waar het om ging en of deze wijn ter meerdere eer en glorie van God voldeed.
Er kwam een antwoord, gedateerd op 8 oktober 1478, waarin toestemming werd gegeven om deze witgeperste rode wijn uit de blauwe Spätburgunder te gebruiken. In een bijlage wordt vermeld dat zijne pauselijke Excellentie de wijn zeer bevallen was en of het mogelijk was nog eens zo'n vaatje op te sturen naar de heilige stad, maar dan wel een beetje een groter vat dan het laatste. De blauwe Spätburgunder was de meest geliefde miswijn en voor liturgische doeleinden de meest verbreide. Er spelen veel legenden rond de Bourgondische wijn; zo zou de azijn die men de Heer Jezus aan het kruis met een spons aan een speer toegereikt had, afkomstig zijn geweest uit een vat mislukte Bourgondiër. Er wordt ook verteld dat op de hellingen van de wijngaard waar Jezus in de Goede Week zijn dood aankondigde, ranken van de Bourgondiër groeiden en dat de zoete lucht van de wijnranken Jezus in zijn grote lijden tot enige troost was. Een andere legende vertelt dat bij de bruiloft van Kanaän de tweede wijn die geschonken werd, een Bourgondiër zou zijn geweest.
Historisch is het te bewijzen dat deze wijnsoort in 1226 voor het eerst vermeld werd, en het is aannemelijk dat ze al twee duizend jaar eerder in cultuur genomen was. Deze Spätburgunder werd vanaf de 15 e eeuw in Piemont in grote gebieden aangeplant. Tegenwoordig is hij bijna helemaal verdwenen. Maar in die tijd werd de purperrode kleur van de wijn hooggeschat. Hij contrasteerde mooi met de witte altaardoeken en de kleurige liturgische gewaden van de priester. Halverwege de 15 e eeuw leefde in het kleine Piemontese stadje Saluzzo de parochieherder Gino Dante. De pastoor was erg geliefd om zijn meeslepende preken. Mensen kwamen van heinde en verre naar de stad alleen om zijn preken te horen en keerden gesterkt weer naar huis terug. De pastoor ging zelf helemaal op in zijn preken, gebruikte daarbij zijn hele lichaam, reikte steeds omhoog en kromp daarna weer ineen, gesticuleerde met zijn handen om de woorden van de Heer aanschouwelijk te maken en kracht bij te zetten – en morste daarbij regelmatig rode miswijn. Als gevolg daarvan moest men na bijna elke mis het gevlekte altaardoek vervangen. Dat had nog gekund, maar door de levendige manier waarop hij het woord van de Heer verkondigde, knoeide hij ook op de misgewaden. Deze misgewaden waren heel rijk versierd en vanzelfsprekend ook kostbaar. Dat zinde de burgers van Saluzzo niet, ze konden niet steeds nieuwe misgewaden aanschaffen omdat monsignore Dante zo knoeide. Maar ze wilden ook niet van de populaire priester af; men had hem in een klooster kunnen laten onderbrengen of bij een kleine plattelandskerk waar netheid wat minder belangrijk werd geacht. Maar hier in de stad, waar zoveel vreemdelingen alleen al kwamen om hem te horen preken, kon men de pastoor niet met gevlekte misgewaden het altaar op laten gaan.
Met alle mogelijk schoonmaakmethodes, van de meest algemene tot het geheime recept dat van moeder op dochter overging, probeerden de vrouwen van Saluzzo de rode wijnvlekken te lijf te gaan. De meeste pogingen mislukten en als het een beetje lukte werd het resultaat bij de eerstvolgende misviering weer tenietgedaan. Bovendien was er steeds een verschil van mening over de vraag of men de vlekken die ná de Heilige Consecratie waren ontstaan, het was dan toch het bloed van Christus, wel zomaar met profane schuurmiddelen te lijf zouden mogen gaan. Steeds opnieuw kregen de burgers extra uitgaven opgedrongen omdat er alweer een nieuw misgewaad of altaardoek moest worden aangeschaft. Dit begon de inwoners van Saluzzo zodanig op hun zenuwen te werken dat ze aan de bevoegde bisschop Philippus Bruno in Cuneo vroegen of de pastoor van hun stad niet als uitzondering, met speciale toestemming, witte wijn zou mogen gebruiken, want de situatie was onhoudbaar geworden.
Ze kregen onverwijld te horen dat dit onmogelijk was, miswijn moest rood zijn. Wat men tot zich nam was het bloed van Christus en niet het zweet van Christus, en bloed was nu eenmaal rood en niet wit.
Ze moesten zich maar beraden of ze de pastoor van hun stad Gino Dante kwijt wilden of verder met hem wilden doormodderen en boetvaardig zijn was doen ( bisschop Philippus Bruno stond bij uitzondering toe dat ook wijn die geconsacreerd was mocht worden uitgewassen, maar alstublieft heel behoedzaam) en af en toe een nieuw misgewaad voor hem kopen. In die tijd leverde de nonnen van het Heilige Bloed de mooiste en voordeligste misgewaden en het klooster van de nonnen viel direct onder het bezit van de bisschop.
De sommeringen aan de pastoor om voortaan de Bourgondiër met meer water te verdunnen hielpen niet. Gino Dante deed nog steeds maar heel weinig water bij de wijn, zo weinig mogelijk want hij hield niet van water in de wijn, zei hij. Hoe minder water in de wijn, hoe meer Jezus in het Heilig Avondmaal aanwezig was.
Een wijnboer uit Revelo in de buurt van Saluzzo, op de eerste helling van de zuidelijke Alpen hoorde pastoor Dante graag preken en wist door gesprekken met de stadsbewoners van het probleem. Hij dacht: Als men steeds weer de rode wijnvlekken uit de misgewaden van de knoeiende, geliefde pastoor moet halen en zelfs vaker dan gewoon de misgewaden moet vervangen omdat ze door de verkleuring niet meer aan te zien zijn, dan zou je het probleem bij de wortel moeten aanpakken en er voor moeten zorgen dat er helemaal geen verkleuring kan optreden. De boer was geen studiehoofd maar zette zich meteen aan de arbeid en verwerkte na de eerstvolgende druivenpluk een deel van zijn blauwe Bourgondiërs als betrof het witte wijn. Bij het persen scheidde hij reeds in de zeef de velletjes van het sap, gaf zo de wijn geen kans om er de kleurstof aan te onttrekken, en voorkwam zo dat de rode wijn rood werd.
Het resultaat was een rode wijn, een klassieke rode wijn uit de Bourgondische wijnrank, die echter geen rode kleur had. Toen de wijngaardenier na de gisting het eerste resultaat dronk, was hij erg verbaasd over de goede, excellente witte rode wijn die hij geperst had. Het eerste vat stuurde hij ter beoordeling naar pastoor Dante. Deze was enthousiast en hij stuurde een fust naar de bisschop, die weer een vaatje naar de paus stuurde. In de herfst van 1478 kwam er eindelijk de toestemming om de witte rode wijn uit blauwe Spätburgunder als miswijn te gebruiken.
Tijdens de tweede zitting van het Concilie van Trente (1551-1552) dat een nieuwe periode inluidde tegen de Reformatie, werd op grond van de ervaringen van Saluzzo bepaald dat elke wijn, van welke kleur dan ook die gewetensvol en zonder toevoegingen van vreemde stoffen was geperst, als miswijn werd toegelaten.
Literatuur:
R. Groslindner, Der reine Messwein , St Pölten 1959.
J. Priewa, Wein , München 2000.
G. Schmid/A.Schulz, Die Weinlese – Verfahren, Regionen, Menschen , Berlin 2002