![]() |
Het was puur toevallig dat de boerenjongen Alois Rupert in 1717 een bos edelweiß overhandigde aan gravin Maria Franziska zu Dornbirn. De knaap vertelde de gravin onder welke omstandigheden edelweiß geplukt werd. Het verhaal van de knaap uit Matrei beviel de gravin zo goed dat ze zijn verhaal aan het hele hof in het verre Wenen doorvertelde. |
In de zomer van 1717 bezocht de pas 18 jaar geworden gravin Maria Franziska zu Dornbirn het kleine boerendorp Matrei dat toebehoorde aan het bisdom Salzburg in wat tegenwoordig Oost-Tirol heet. Matrei dat aan de zuidelijke uitloper van de hoge Tauern ligt en ingeklemd is tussen de Großvenediger en de Großglockner, werd al in de tijd van de Romeinen bewoond. Op de resten van de muren van een versterking werd ooit het dichtbij Matrei gelegen kasteel Weißenstein gebouwd. De jonge gravin zu Dornbirn verbleef bij haar bezoek aan Matrei op het nabijgelegen slot bij Lienz. Ze hield niet van dergelijke werkbezoeken en verlangde terug naar Wenen, naar de ontvangsten, theaters, concerten en natuurlijk naar de vele bals waarop haar het hof werd gemaakt. Sinds ze in Lienz was, en als ze het sombere dal inkeek waar Matrei in lag, zag ze erg op tegen het bezoek aan haar onderdanen.
Ook de boeren in Matrei zagen dit aanstaande bezoek met angst en onzekerheid tegemoet. Ze hadden pas twee weken tevoren vernomen van het aanstaande bezoek van hun heerseres. “Komt er weer zo'n Franssprekende vrouw met veel te mooie kleren aan langs” dachten de boeren.
“O lieve Heer, waar is die heisa voor nodig”
Een vooruitgestuurde functionaris legde hen streng uit dat de gravin haar lijfeigenen wilde ontmoeten, ze zou Duits met hen spreken want dat was nieuw en modern en door de keizer uitdrukkelijk bevolen.
Iedereen moest zich op zijn minst presentabel maken, zijn beste kleren aantrekken. En vooral een geschenk voor de gravin mocht niet worden vergeten. Hij wist dat de bergbewoners eenvoudige mensen waren, onbeholpen en stug, vaak ruw als de bergen om hen heen. Daarom legde hij er de nadruk op dat ze vooral aan het inhuldigingsgeschenk moesten denken, want dat was een gewichtig onderdeel van het protocol.
Tenslotte brak de dag aan die allen vreesden. De gravin verscheen met haar gevolg. Iedereen zag er tamelijk verfomfaait uit want onderweg naar Matrei hadden de koetsen van het gezelschap enkele malen de sterk gezwollen rivier de Isel moeten oversteken. Hofmaarschalk August Friedrich Khevenhüller uit het geslacht Khevenhüller zu Riegersburg leidde het protocol. In de parochiekerk werd een dankdienst gehouden en feestelijk aangekondigd dat de kerk verbouwd zou worden. (De verbouwing was pas in 1783 klaar). Daarna ging de stoet naar het nabijgelegen Sint Nicolaaskerkje en aansluitend gebruikte men het middagmaal in een tent. Daarna zouden de huldigingen plaatsvinden. Tot zover verliep alles goed. Het dorp was enigszins schoongemaakt en de mesthoop was gefatsoeneerd. De kerk was gepoetst. Zelfs de boeren die in zicht kwamen hadden hun zondagse kleren aan.
Gravin Maria Franziska zu Dornbirn nam met haar hofhouding plaats voor de tent en nu mocht het volk toegelaten worden. Er klonk een beetje verveeld hoera, maar niet zo dat het ergernis opwekte.
Nu zou het geschenk door de dorpsoudste overhandigd moeten worden. Door alle opwinding over het bezoek was men dit echter helemaal vergeten. Hofmaarschalk Khevenhüller, streng maar begripsvol en verstandig, paste zonder aarzeling het protocol aan. Eerst moesten nog de verzoeken en klachten aanhoord worden en in de tijd die hiermee gewonnen werd konden de boeren nog snel een geschenk verzinnen. De dorpsoudste gaf, zoals altijd als het moeilijk werd, de opdracht door aan zijn vrouw, knielde neer voor de gravin en begon te vertellen over de goede daden van de heerseres en de zware arbeid van de boerenbevolking. Alleronderdanigst bedankte hij haar voor de wijsheid waarmee zij had besloten dat de boeren over hun zware werk in het alpendal slechts een deel van de belastingen hoefden af te dragen. Hij vertelde over de bergen, de vele ongevallen, de lawines en hoe godvrezend men in het dorp was.
Tijdens zijn kundige en langdurige redevoering hoopte hij dat zijn vrouw snel met een geschenk op de proppen zou komen. Tezelfdertijd overlegde zij met de andere vrouwen. Men besloot het een en het ander en verwierp het weer. Hadden een ander goed idee en waren er dan weer niet tevreden over. Zo bleven ze bezig tot de hofmaarschalk liet weten dat het geschenk binnengebracht moest worden.
Op dat moment kwam de zestienjarige jongen Alois Rupert voorbij. Hij kwam net terug van de bovenste alpenwei waar hij vier weken lang de geiten gehoed had. Omdat hij helemaal niets wist van het plotselinge bezoek was hij verbaasd over de ongewone netheid van Matrei. Hij had een grote bos edelweiß bij zich voor zijn moeder, die deze altijd in de hoek van de kamer bij het kruisbeeld neerzette.
Edelweiß was hiervoor erg geliefd want je had er geen omkijken naar. Het verwelkte niet en water geven was ook niet nodig. In hun nood kwamen de boerinnen op het idee de jongen zijn bloemen aan de gravin te laten aanbieden. Alois Rupert verscheen voor de gravin, knielde neer en overhandigde zijn zelfgeplukte bos edelweiß. De hofmaarschalk fluisterde de gravin in het oor dat deze jongen zojuist uit het hooggebergte was teruggekeerd. Hij wees naar de gletsjer. Daarboven had deze eenvoudige jongen speciaal voor haar deze bos bloemen geplukt. Hij was net afgedaald en dat verklaarde zijn onwaardige kleding. Dit fluisterde hij luid genoeg opdat de jongen alles kon horen.
De gravin nam de bos edelweiß in ontvangst en moest toen volgens het nieuwe protocol een paar woorden in het Duits aan de gever richten: “Je bloemen zijn mooi, jongen.”
Alois Rupert, altijd al een gewiekste knaap, antwoordde ondanks zijn grote opwinding “Die heb ik voor Uwe Hoogheid geplukt. Iedere jongen moet voor zijn liefste een edelweiß halen. Dat is bij ons van oudsher het gebruik. Iedere jongen moet voor de vrouw die hij aanbidt helemaal van daarboven een edelweiß halen.” Moedig geworden door zijn eigen woorden durfde hij nog meer te zeggen.
“Edelweiß groeit helemaal daarboven waar het het gevaarlijkst is. Daarboven bij de gieren. Veel jongens die het proberen storten naar beneden en worden nooit meer gezien. Maar voor je liefste moet je er een halen. Daarvoor ga je graag naar boven. Waar de sneeuw en de kraaien elkaar ontmoeten daar groeit de edelweiß op uitstekende rotspunten. Edelweiß groeit daar veilig op steile ruwe rotsen en alleen de meest moedigen en meest roekelozen kunnen er bij. De berg verslindt alle anderen. Alleen de dappere die het zuivere hart van zijn geliefde in zich draagt komt weer terug.”
Helemaal in de ban van zijn eigen woorden en tot dan toe niet onderbroken vervolgde hij:
“En deze bos hier heb ik geplukt, want mijn liefste, ons aller liefste, is de gravin die ik in mijn hart draag, voor wie ik vandaag deze bloemen heb gehaald.”
De hoogwaardigheidsbekleders zaten verstijfd door de brutale woorden van de jongen, maar waren er ook door getroffen. Toen verbrak de gravin het protocol en richtte zich nogmaals tot de jongen.
“Dat heb je mooi gezegd” zei ze en ze drukte het boeket aan haar boezem. De hofhouding applaudisseerde ingetogen en een kuchje van de hofmaarschalk maakt een einde aan alles. Men steeg in de koetsen en reed terug.
De hele reis terug hield de gravin de edelweiß tegen haar boezem gedrukt, stak steeds weer haar neus in deze witte, viltige, reukloze bloemen. Dagen later, terug in Wenen, zette ze de bloemenhulde op haar toilettafel en vertelde alle dames aan het hof de geschiedenis van de edelweiß en hoeveel betekenis de bloem voor de alpenbewoners had. Elke dame vertelde het weer door aan andere dames en verzon er een paar kleinigheden bij. Spoedig sprak het hele hof alleen nog maar over deze alpenbloem, de edelweiß. Men beweerde dat er in de Alpen aparte kerkhoven waren waarop alleen jongens begraven lagen die voor hun aanbeden geliefde gestorven waren. Het gerucht ging dat edelweiß de enige bloem was die de zondvloed had overleefd omdat ze zo hoog in de bergen groeide, en dat werd niet door de kerk tegengesproken. Steeds meer apotheken verkochten al snel een elixir gemaakt uit edelweiß dat potentieversterkend voor mannen zou zijn. En nog meer verhalen en wonderbaarlijkheden kwamen er in omloop.
Twee jaar later huwde gravin Maria Franziska zu Dornbirn met de 23 jaar oudere vorst van Parma. Het was een diplomatiek huwelijk, zoals gebruikelijk in die tijd in die kringen. De bloemenhulde bewaarde zij haar leven lang. Wie in het stadspaleis van Parma de vorstinnenvleugel bezoekt kan ook vandaag nog op een commode onder een glazen stolp edelweiß vinden.
Literatuur:
M.Forcher, Matrei in Osttirol. Ein Gemeindebuch zum 700-Jahr-Jubiläum , Matrei 1980.
S. Márai, Die Gräfin von Parma , München 2002.
S. Müller-Funk, Präzisierung der Sprache in der Alpenregion , Wenen 1993
J.M. Walter, Hegen und Gestalten des Alpengarten s, Hohenlohe 1965