![]() |
Plaats van herkomst: Duitsland. Toen Goethe in 1789 uit Karlsbad vluchtte om aan zijn reis naar Italië te beginnen, nam hij een gekristalliseerde roos mee en schonk deze later weg aan een tuinman. Daarom heet deze roos in Palermo „Rosa del Goethe“ (Goethe Rose) |
„Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn,
i
m dunklen Laub die Gold-Orangen blühn,
Ein sanfter Wind vom blauen Himmel weht,
Die Myrte still und hoch der Lorbeer steht?
Kennst du es wohl?
Dahin! Dahin!
Möcht uch mit dir, o mein Geliebter, ziehn!”
“Ken jij het land waar de citroenen bloeien,
In donker loof de sinaasappels gloeien,
Een zachte wind uit blauwe hemel waait,
Hoog de laurierboom, stil de mirte staat,
Ken jij het wel?
Daarheen! Daarheen!
Zou ik met jou, o mijn geliefde, gaan!”
Johann Wolfgang Goethe
vertaling : Koen Stassijns
Dit droomgedicht schreef Johann Wolfgang Goethe in 1780 in ‘Wilhem Meisters Lehrjaren' voordat hij zijn eerste reis naar Italië ondernam, het land dat hij al vanaf zijn kindertijd had willen bezoeken.
Zijn moeder, Catharina Maria Goethe, schreef hem later in Rome: ”Lieve zoon…. Ik had wel in vreugdegezang willen uitbarsten omdat de wens die je sinds je vroegste jeugd zo koesterde, nu eindelijk in vervulling is gegaan…”
Op 3 september 1789 was het namelijk zover. Onder het pseudoniem Johann Philipp Möller, koopman te Leipzig, sloop Goethe heimelijk in het holst van de nacht met een valse naam uit het kuuroord Karlsbad weg. “Om drie uur ‘s nachts sloop ik weg uit Kalsbad omdat men mij anders niet had laten gaan.” De valse naam moest hem beschermen tegen een snel ingrijpen door zijn werkgever hertog Carl August, maar ook tegen nieuwsgierige lieden, want hij was met zijn boek ‘Werther' in heel Europa wereldberoemd geworden. Bovendien gaf het gebruik van een valse naam hem ook een gevoel van vrijheid. Goethe voelde zich al een hele tijd niet lekker in zijn vel zitten. Hij zat vast en niets wilde nog lukken. Na tien jaar hing hem het werk voor hertog Carl August de keel uit, en er zat geen schot in zijn verhouding met Charlotte von Stein, die werd juist alleen maar ingewikkelder. Hij voelde zich door haar ‘gecontroleerd', en had het gevoel dat ze zijn kunst afkeurde. Alles wat met haar te maken had ervoer hij als taai, muf, donker en verkalkt en zich zelf als vastgeroest, ingesnoerd en benauwd.
Hij voelde zich als een versteende roos uit Karlsbad, die toen en nu ook nog in dit mondaine kuuroord te koop zijn. Papieren rozen waarop zich in twee weken tijd in het hete mineraalwater van Karlsbad kalksteen afzet en de roos een versteend, roestig uiterlijk geeft.
“…. In die rozen van Karlsbad die ik veel om me heen zag, herkende ik mijzelf….”
Johann Wolfgang Goethe nam als Johann Philipp Möller een versteende roos in zijn bagage mee, om hem er tijdens de reis aan te herinneren hoe verstard hij zich in Duitsland voelde. Hij was amper de Alpen overgestoken bij de Brennerpas of hij riep uit: ”Licht. Licht, het licht lijkt me hier vrijer en feller….”
In Padua was hij verrukt van de botanische tuin waar hij de oerplant zocht. De tuinman gaf hem twee aan de plant verwante bladeren. Die bewaarde hij tot zijn dood als een grote schat. Goethe reisde verder en keek geen enkele keer om naar de roos. Hij voelde zich vrij, vol van nieuwsgierigheid, drang naar kennis, blijdschap en openheid. Zijn verstening was hij kwijt – waarom zou hij nog naar die versteende roos omkijken, die vergat hij.
Pas in Palermo schreef hij enthousiast in zijn dagboek: “In de openbare tuin vlak aan de rede heb ik in stilte de meest genoeglijk uren doorgebracht. Dit is de meest fantastische plaats van de wereld. De aanleg is heel regelmatig, maar komt toch heel sprookjesachtig over…”
Hier voelde hij zich heel dicht bij zijn oerplant. Verwonderd dacht hij aan zijn versteende roos uit Karlsbad en kon zich niet meer voorstellen dat hij zich ooit zo verstard en voor eeuwig geconserveerd had gevoeld. De versteende roos gaf hij daar aan een tuinman van de botanische tuin, waarbij hij tegelijkertijd hoopt op een tegengeschenk, een tip waar hij de oerplant zou kunnen ontdekken. De aanwijzing waarop hij hoopte kreeg hij niet, maar al spoedig erkende hij dat wat hij zocht – deze oerplant- meer een principe was en geen echte plant.
Na zijn thuiskomst uit Italië beëindigde hij zijn verhouding met Charlotte von Stein en ontmoette Christane Vulpius, een werkneemster uit een fabriek voor kunstbloemen. Na de eerste ontmoeting met zijn latere, geliefde echtgenote dacht hij terug aan de versteende roos in Palermo en was kinderlijk blij dat zij, de roos, nu hier bij deze arbeidster kon opleven, tot leven was gewekt.
Zijn versteende roos uit Karlsbad wordt in Palermo tot op heden in de verzameling van de botanische tuin bewaard. Daar wordt ze ‘La Rosa pietrificata del Signor Goethe' (De versteende roos van de heer Goethe) of kortweg Rosa del Goethe genoemd.
Literatuur:
D.v. Gersdorff, Goethes Mutter , Frankfurt a. M. 2001
J.W.Goethe, Wilhelm Meisters Lehrjahre , hg.v.Erich Trunz, München 1981
Ders., Italenische Reise . Mit vierzig Zeichnungen des Autors, hg.v. Christoph Michel, Frankfurt a.M. 2003
Ders., Briefe , Stuttgart 1928
W.Huber, Eine Rose wandert , München 1934
I. Jentsch, Botanische Versteinerungen in Italien und Spanien , Leverkusen, 2002