![]() |
Plaats van herkomst: Duitsland |
BTijdens de tweede ijstijd gedurende het midden van het Pleistoceen was de aarde bedekt door gletsjers. Grote gletsjers uit het noorden van het tegenwoordige Zweden strekten zich tot aan Midden-Europa uit over de uitgedroogde Oostzee. Hier begon de geschiedenis van de geologie. Deze geweldige gletsjers ploegden de aarde om, schoven reusachtige hoeveelheden aarde, rotsen en puin voor zich uit. Ze namen bergen op hun rug en transporteerden ze in zuidelijke richting en lieten ze daar achter, maar niet nadat ze andere bergen die op de weg lagen hadden uitgevlakt. De rivierlopen die we nu kennen van de Oder, Weichsel en Elbe werden in die tijd gevormd.
Aan de rand van een gletsjers lagen heuvels van aarde, rotsen en versplinterd ijs als lippen om een tong gedrapeerd. Dit samenraapsel werd voortdurend door smeltend gletsjerwater overspoeld, stortte dan weer ineen, en werd daarna weer opnieuw op en door elkaar geschoven.
Vaak brak bij deze aardverschuivingen helder, gletsjerijs met een hoge dichtheid af, dat werd ingesloten en bedekt met puin. Als deze massa met de juiste verhouding van zand en leem het ijs luchtdicht omsloot en door druk van buitenaf nog meer samengeperst werd, was het mogelijk dat hierdoor een pseudo-steen kon ontstaan die uit versteend ijs bestond.
Het ijs lag in een bed van zand en een kluit leem dichtte de zaak zo af dat er een vaste korst ontstond die hard werd, zoals bij brood met Praagse ham. Door deze luchtdichte afsluiting ontstond iets dat wel lijkt op de klassieke Römertopf, met een eigen microklimaat. Als dit alles tegelijkertijd gebeurde en deze klomp van zand en leem met een kern van ijs ook nog bedolven werd door een grote aardmassa, die met een enorm gewicht op de Römertopf drukte, dan was aan alle voorwaarden voldaan voor de groei van versteend ijs. Het ingebakken ijs koelde het vastgeperste, verdichte mengsel van leem en zand en werd van buitenaf door de grote druk van de massa van bovenaf opgewarmd.
Door de spanning tussen drukverwarming van buitenaf en zelfkoeling van binnenuit ontstond een ijsconcentratie van de allerhoogste dichtheid. Het ijs kon niet smelten omdat het daarvoor zou moeten uitzetten, maar door de druk en insluiting was daarvoor geen plaats. Waar had het smeltwater heen kunnen lopen? Zo werd het ijs steeds meer verdicht, tot er tenslotte een hyperdichte ijskern over bleef. Dit werd wederom verder geconcentreerd en uitgehard waardoor ten slotte als massa nog slechts het ijsmineraal, het ijsmolecuul overbleef.
Versteend ijs is het concentraat van ijs, vergelijkbaar met jenever dat de concentratie is van het aroma van het oorspronkelijke materiaal. Daarom is versteend ijs ook zo blauw. Gletscherblauw. De verhouding tussen het volume aan het begin en aan het einde van het proces bedraagt, afhankelijk van de concentratie van mineralen in het ijs, tussen 2000:1 en 3500:1.
Er zijn drie vindplaatsen beschreven en bekend: Molodga in Siberië, Sudbury in Canada en de Niederlaustiz in Duitsland. Op deze plaatsen met eindmorenen kon het versteende ijs pseudo-stenen vormen.
Versteend ijs moet niet verwisseld worden met bluedi; dat is een soort diamant die in de Kingsuit-mijn in Zuid-Afrika gevonden wordt. Ook het blauwe bergkristal dat uit Plaunla Greina in Zwitserland gevonden wordt vaak voor versteend ijs aangezien.
Literatuur:
Rötzler, Hermann: Die Geschenke des Nordens , München 1937.
Funk, Richard: Related Stones , Birmingham 1954.
Brumann, Richard: Das Phänomen der Moränen , Frankfurt 1955.