![]() |
Plaats van herkomst: Duitsland. Geen komeet en ook geen ecologische catastrofe maakte dat de dinosauriërs uitstierven, maar een symbiotische verhouding met een nuttige parasiet in de maag, die helaas uitstierf door veranderingen in de plantenwereld. Geslacht: Vroege slak uit lichtzurig watermilieu. (Protogastropodes aquacidophiles) Leeftijd: 223 tot 136 miljoen jaar oud. Leefde van het Jura tot in het Krijt in een fatale symbiotische relatie met sauriërs. |
Het vermoeden bestaat dat er al voorlopers van de inwendige slak waren bij de grote oervissen. Bij de eerste kwastvinnigen en amfibieën zijn ze met zekerheid aangetoond.
In het begin dacht men dat de versteende slakken in de magen van vissen en kwastvinnigen per ongeluk met het voedsel ingeslikt waren. Pas toen men ze ook in grote aantallen bij landdieren, bijvoorbeeld bij de melanorosauriër, aantrof, ging men er nader op studeren en ontdekte men de fantastische symbiose tussen de sauriërs en de inwendige slakken.
Tegenwoordig worden de inwendige slakken volgens dit schema ingedeeld:
Inwendige slakken die parasiteerden op een vegetarisch dieet. Deze geheel op plantaardige voedsel aangewezen slakken vormden een hard, compact, zeer kalkrijk huisje.
Inwendige slakken die parasiteerden op een vleesdieet. Deze geheel op dierlijk voedsel gerichte inwendige slakken vormden een taai, flexibel en kraakbeenachtig huisje.
Inwendige slakken die parasiteerden op een dieet van vliegende prooi. De slakken die op vliegend voedsel leefden, vormden een dun, poreus huisje.
Inwendige slakken die parasiteerden op een zwemmend dieet. Bij deze slakken werden huisjes gevormd die op dril lijken en bijna doorzichtig maar toch heel stevig zijn.
Aangenomen wordt dat alle, meer dan 600 verschillende soorten, sauriërs geparasiteerd werden door inwendige slakken. Voor de taak van de inwendige slak moet men zich de omvang van sauriërmaag voorstellen.
De maaginhoud van een brachiosaurus of een apatosaurus is enorm, 4 tot 6 kubieke meter, en met monsterachtige hoeveelheden maagsap gevuld. Het gebit en het kauwwerktuig van de sauriërs waren zelfs bij de vleesetende soorten ( ze konden weliswaar het vlees verscheuren, maar niet kauwen) niet bijzonder goed ontwikkeld, zodat ze de prooi min of meer zonder kauwen naar binnen schrokten of liever gezegd naar binnen wurgden. Reusachtige hoeveelheden maagsap maakten de vertering van de prooi mogelijk en stonden borg voor het instandhouden van de sauriër.
Deze reusachtige hoeveelheid maagvloeistof had als nadeel dat zich in de voortdurend gevulde maag algen ontwikkelden die zich aan de maagwand hechtten. (gastrozure algen) Deze algen vermeerderden zich prima in deze lichtloze en warme klimatologische omgeving, zodat ze de maag helemaal konden vullen en daardoor verhinderden dat de sauriër honger voelde. De kleine porties die in de maag terechtkwamen, konden ook niet meer verteerd worden omdat de maag vol was.
Om dit tegen te gaan vestigden de inwendige slakken zich in de magen van de sauriërs, deden zich tegoed aan de daar groeiende algen en verhinderden hierdoor een overbevolking hiervan. Ze stelden de sauriërs in staat voedsel op te nemen, honger te voelen en zich te voeden.
Dit heeft men kunnen waarmaken aan de hand van jonggestorven sauriërs, waarbij men kon vaststellen dat ze aan overmatig overgeven hadden geleden en als gevolg daarvan hun slakken verloren waren. De algen vermeerderden zich ongeremd in een razende snelheid. Deze vroeg gestorven sauriërs waren allemaal tot op het bot vermagerd. Hieruit mag geconcludeerd worden dat ze allemaal van de honger gestorven waren door de afwezigheid van inwendige slakken.
Er zijn deskundigen die van mening zijn dat tengevolge van de algemene verandering van de vegetatie in het Krijt de zuurhuishouding in de sauriërmaag veranderd zou zijn en dat dit tot uitsterven van de inwendige slak zou hebben geleid, met hetzelfde gevolg voor de sauriërs.