![]() |
Plaats van herkomst: Zweden |
Jan Eliasson werkte al 13 jaar bij de “Johanssons IJzersmelterij” in Gnarp, een plaats in Midden-Zweden. Hij loste de schepen met ijzererts, laadde ander schepen vol met het gewonnen ruwe ijzer en stookte de oven op tot het ijzer nog maar slakken achterliet. Bij elke werkzaamheid was hij betrokken: zowel 's zomers als de dagen niet ophielden, als 's winters wanneer de dagen door fakkels en het schijnsel van de brandende hoogoven verlicht werden. In het ongeluksjaar 1752 zorgde Jan Eliasson voor de vuurkamers van de oven.
Jan Eliasson begon in 1734 als 16 jarige jongen in de ijzersmelterij van de firma Johansson te werken. Hij was de tweede van vier zonen uit een familie die van het bos leefde. Als kind leerde hij takken en hout verzamelen en leerde ook al snel bomen te kappen. Zijn ouders bezaten twee magere koeien die ze op de weinige open plaatsen weidden, ze verbouwden wat rogge en vingen af en toe een beest in het bos. Een bestaan vol ontberingen.
Jan Eliasson wilde een beter leven.
Op zijn 12 e vergezelde hij zijn vader naar Gnarp aan de zee om hout, rijshout, en een paar huiden bij Johanssons Hoogovens af te leveren. Voor het weinige geld dat zijn vader hiervoor ontving kocht deze een nieuwe bijl en van de rest wat laken voor zijn vrouw. In Gnarp zag Jan Eliasson voor het eerst de zee en ook voor het eerst mensen die niet als boeren gekleed en niet door zware lichamelijke arbeid getekend waren. Hij zag voor het eerst geschreven woorden en wilde die ook leren ontcijferen. Hij raakte gefascineerd door het leven daar.
Tijdens de lange avonden thuis in het bos maakte men houtsnijwerk. De mooiste stukken werden later in Gnarp verkocht. Hij droomde ervan daar te wonen en te werken, onder andere mensen te zijn, met hen samen te werken.
Toen hij 16 jaar was, en een reus van een vent, verliet hij het bos om in Gnarp bij de ijzersmelterij van Johanssons te gaan werken.
Eerst werd hij sjouwer, maar omdat hij meer in zijn mars had, werd hij al spoedig voor ander werk ingezet. Zijn loon bestond uit vrije kost, inwoning met negen andere mannen en 8 Reichstaler per half jaar.
Het leven in Gnarp beviel hem. Zijn verblijf te midden van een voortdurend komen en gaan van bijna 400 mensen was helemaal wat hij zocht. Er waren voortdurend mensen op pad die zich bezig hielden met de levering van enorme hoeveelheden hout. De hoogovens vraten 24 uur per etmaal hout. Het werd in schuiten aangeleverd, en schepen voerden ruw ijzer af. Hij moest lange dagen maken, maar af en toe had hij tijd om over de markt te banjeren. Dit was het leven zoals hij zich dat in de eenzaamheid van het bos had voorgesteld.
Na 1745 gin het met de zaken van de ijzersmelterij Johansson & Zoon steeds slechter. De concurrenten probeerden nieuwe smelttechnieken uit en boorden ook nieuwe, zeer winstgevende ertsaders aan. Gnarp werd steeds onrendabeler. Johanssen & Zoon investeerde steeds minder in Gnarp, trok zich helemaal terug uit de ijzerwinning en ging zich in toenemende mate bezig te houden met de veredeling van ijzer. Daarvoor werd 550 kilometer zuidelijker een fabriek volgens de nieuwste methodes gebouwd.
In Gnarp werd een beheerder aangesteld die het laatst economisch haalbare uit de aftandse, niet meer rendabele hoogoven moest zien te persen. Hij voerde met ijzeren vuist een onbarmhartig bewind.
Jan Eliasson voelde een wrok in zich groeien. Hij moest steeds sneller werken, steeds sneller de oven opstoken, en deze ook steeds vroeger aansteken. Hij wist dat hierdoor slecht ijzer geproduceerd werd, want voor goed vloeibaar ijzer moet erts de tijd krijgen om langzaam op kookpunt te komen, zodat de slakken zich van het ijzer kunnen scheiden.
Op een dag begin juli 1752 moest hij in zijn eentje twee ovens bedienen, een gevulde oven opstoken en er eentje aanleggen. Hij voerde zijn taak uit, maar ondertussen groeide zijn stille wrok.
In de nacht van 28 op 29 juli 1752 zag hij dat de oven steeds heter werd en dat de chamotte wand begon te gloeien. Het zou niet lang meer duren voordat de oven zou ontploffen. Jan Eliasson beulde zich af. Hij was alleen werkte voor tien. Gedurende de hele nacht voegde hij hout toe, een massa hout , opende allerlei kleppen en schoof de grootste stukken hout in de stookkamers. Hij verbruikte de voorraad hout voor een hele week. De oven gloeide, het ijzer kookte. In het vroege morgenuur, juist toen de volgende ploeg aantrad, schrok een enorme explosie het industriestadje Gnarp op. De oven spatte uiteen, sproeide overal gloeiend ijzer rond. Dat stolde in bizarre vormen in het water. De cokes smolten tot vloeibare keramieken vormen. Het vloeibare materiaal was overal, evenals het reeds gestolde materiaal.
Mensen renden weg, verschuilden zich. Pas aan het eind van de middag begonnen de werknemers de brand te blussen. Daar hadden ze twee dagen voor nodig.
Een week later kwam er een commissie uit Stockholm om de brand en de explosie te onderzoeken, maar die kon de oorzaak niet vinden. Ook de diepgaande ondervraging van Jan Eliasson die nog steeds, beroet, in shock verkeerde en door een wonder de explosie overleefd had, leverde niets op. In het eindrapport staat dat de oorzaak van het ongeluk gezocht zou moeten worden in de verouderde techniek.
Er werd in Gnarp nooit meer ijzer gesmolten en het verviel tot een klein plaatsje in Midden-Zweden. Alleen de resten van de hoogoven zijn nog te zien.
Jan Eliasson overleefde, want toen hij zag dat de explosie er aankwam, voegde hij nog snel een paar boomstammen toe, smeerde zijn gezicht in met roet en ontkwam van het fabrieksterrein via een van te voren uitgekiende vluchtweg. Toen de klap kwam stond hij veilig achteraf op een heuveltje en genoot hij van het spektakel dat hij had veroorzaakt.