![]() |
Plaats van herkomst, Japan ca 1819. Het hoogtepunt van de teelt van de bonsaihertjes in Japan lag tegen het einde van de 18 e eeuw. Ze werden ongeveer 12 cm hoog en werden in overdekte tuinen met bonsaiboompjes gehouden. |
Plaats van herkomst, Japan ca 1819.
Nadat de Japanse Zen-monniken er in waren geslaagd grote bomen zoals eiken, linden en esdoorns in het klein te kweken, met als doel ‘en miniature' het ideaalbeeld van een plant te concretiseren en te vereren, zetten ze zich aan de taak dieren, vooral herten en reeën in het klein te fokken.
De bloeiperiode van deze miniatuurfokkerij lag tussen 1710 en 1790. Nadien verloor men zijn interesse in deze verkleinde dieren. Men vermoedt dat het uitsterven van de bonsaiteelt samenhangt met de extreem tijdrovende methode en met de moeilijkheidsgraad van deze manier van telen. De kunst van de bonsaiteelt is tot op heden bekend gebleven.
Tussen 1752 en 1764 konden in de kloosters van Myken Vhu bij Gifu in Tarumi aan de voet van de Nogahaku-san (1617 m.) en van Kno Yen in Kooris nabij de stad Fukushima uitbeeldingen van berglandschappen bezichtigd worden. Tussen de open plekken van een verzameling van beeldschone bonsaiboompjes liepen op dezelfde schaal herten, reeën en zwijntjes rond, die graasden, elkaar het hof maakten en een gewei kregen. Slechts één maal per jaar, op de stichtingsdag van het klooster, was dit kleine grote wonder voor iedereen te bezichtigen.
De herten waren 7 tot 12 cm groot. Hoe het gelukt was deze dieren zo klein te fokken kan tegenwoordig niet meer achterhaald worden. Om navolging te vermijden legden de monniken niets van hun technieken op schrift vast. Deze techniek was alleen toegestaan aan mensen met een zuiver boeddhistische inborst omdat alleen zij de kundigheid zouden bezitten deze techniek niet te misbruiken.
Er zijn slechts weinig afbeeldingen van vermeldingen over bonsaiherten overgeleverd. Elk dier moest nieuw gefokt worden. Wanneer ze zich voortplantten leverde dat weer grote dieren op. Genetisch waren ze niet veranderd. Alles hing af van het fokproces.
De levensduur van de miniatuurdiertjes was ongeveer half zo lang als van normale dieren.
Literatuur:
Oshikama, Hiro: Die Kunst der Bonsaizucht, Tokio 1934.
Keko, Hitimi: Gezüchteter Kleinwuchs, Tokio 1958.
Smith, Henry J: On Shrunken Heads and Shrunken Animals, New York 1947.
Glenn, Thomas W: The Secret of the Monks of Myken Vhu, London 1988.